Een bipolaire stoornis heb je samen

Tekst: Luuk Brouwer

Ik ben Luuk en ben 46 jaar getrouwd met Renneke, ookwel: Rennie. We zijn in 1970 getrouwd in Amsterdam. In 1971 zijn we samen naar Den Helder vertrokken. Rennie als huisvrouw en ik ging werken bij de Koninklijke Marine bij de Onderzeedienst. In 1980 is onze zoon, Martijn geboren. In 1983 ben ik begonnen met een studie Begrafenisondernemer en medio 1984 zijn we verhuisd naar Bussum. Mijn vrouw is toen beheerder geworden van het rouwcentrum daar en ik werkzaam als uitvaartverzorger. Wij woonde boven het uitvaartcentrum met ons gezin.Mijn vrouw is nu 18 jaar bipolair, type 1. Daar komt bij dat ze verschrikkelijk kan beven en trillen. Alleen als zij in bed ligt, heeft ze er geen last van en kan ze haar rust vinden. In het begin wisten wij niet wat een bipolaire stoornis was maar zijn daar met lief en leed achter gekomen. Door mijn werk als uitvaartverzorger en ik niet zo vaak thuis was, kon ik het geen plekje geven. Maar onze zoon was altijd bij zijn moeder en deed alles voor haar. En het belangrijkste was: hij begreep haar.

Die tijd in Bussum hadden we een fijne huisarts. Hij woonde ca. zes huizen bij ons vandaan. In deze periode had Rennie last van migraine. Ook ging haar schildklier opspelen. Ze is daarvoor opgenomen geweest en heeft een jodiumkuur gekregen. Ook werd Rennie naar diverse psychiaters gestuurd omdat ze depressies had. De depressies waren vaak voorspelbaar. Drie maanden ging het bijvoorbeeld hartstikke goed en daarna was ze drie maanden van de wereld weg. Ik merkte dat doordat ze langer in bed bleef, de stand van haar ogen was anders en haar praten. Drie maanden later werd ze weer hyper. Dan moest alles volgens haar sneller gebeuren. Zij kreeg toendertijd hiervoor allerlei antidepressiva.

In 2013 zijn we allebei met werken gestopt. Tenminste… ik ben wegens ziekte van een college nog doorgegaan tot medio 2015 en toen vond ik het genoeg. We begonnen te kijken naar een appartement waar we weer gewoon konden leven. Eind 2015 zijn we verhuisd naar Vught en hebben nu een fantastisch apartement. Dicht bij onze zoon die docent is in Tilburg en daar ook woont.

engagement-rings-534473_640

We dachten dat het in Vught wel beter zou gaan. Maar het ging niet beter. Het werd alleen maar slechter. Mijn vrouw is in behandeling geweest bij de stichting Reinier van Arkel en heeft Lithium gekregen. Maar daar is ze vreselijk ziek van geworden. Drie weken is zij er enorm van gaan trillen. Ik heb er zelfs een video-opname van gemaakt. We zijn toen bij die stichting weggegaan.

Sinds ik met het werken gestopt ben en het van dichtbij mee maak, zie ik dat het leven met een bipolaire stoornis voor mijn vrouw verschrikkelijk is. Je vangt je vrouw op en helpt haar met de medicijnen en door samen naar de psychiater te gaan. En dan naar huis met eventueel nieuwe medicatie op zak. Hopen dat alles goed zal gaan. Gaat het toch fout, dan help ik mijn vrouw zoveel mogelijk door haar te laten slapen en nergens tegenin te gaan. Op zo’n moment leeft ze in een eigen wereldje. Een wereld die voor mij moeilijk te doorgronden en te begrijpen is.

Nu slikt zij alleen nog Seroxat en kan het aardig handelen. “Als het komt, dan komt het maar”, zegt ze. Vanaf december vorig jaar voelt ze zich gelukkig weer goed en onderneemt weer van alles.

Het blijft lastig om plannen te maken. Je weet nooit hoe het gaat en als het fout gaat dan moet je alles weer afzeggen. Accepteren dat je thuis moet blijven. Zo is het leven voor mij met een bipolaire partner. Het ene moment zwaar maar… het kan ook fantastisch zijn!


 

123_1484232269845_resized  125_1484232268294_resized

 

Advertenties

Je zal maar een moeder met zo’n ziekte hebben

Tekst: Roos Schlikker
Deze column verscheen op 25 juni 2016 in Het Parool

Het zijn haar ogen waardoor ik blijf kijken. Lieve, droevige ogen. Het waren zíjn ogen waardoor zij gealarmeerd raakte. “Lege ogen. Hij had geen geweten meer.”

Ik staar naar haar, Monique van der Sandt die in RTL Late Night haar verhaal doet. Haar zoon Rémon W. reed in een gestolen auto een vierjarig jongetje van de sokken. Dood.

“Hartstikke ziek,” noemt Monique haar zoon. Hij heeft een bipolaire stoornis met psychoses. Al tijden was ze bang dat hij iemand de dood in zou sleuren. Ze belde GGnet, psychiaters, wijkagenten. “Niemand wilde luisteren.” Ze schreeuwde het uit toen ze hoorde wat hij vorige week aanrichtte.

Je zal maar een kind met zo’n ziekte hebben, denk ik terwijl ik naar haar verhaal luister. Dan schrik ik van mijn volgende gedachte: je zal maar een moeder met zo’n ziekte hebben.

De volgende morgen open ik Facebook en zie ik dat mijn moeder een foto heeft geplaatst met daarop een briefje. Ik glimlach om haar lieve priegelhandschrift, maar terwijl ik lees, krijg ik het warm.

‘Beste mensen. Graag een ode aan de moeder van ­bipolaire zoon die zo’n vreselijk ongeluk veroorzaakte. Gisteren zo moedig aangeschoven bij Humberto op tv. Kijk a.u.b. terug als je het gemist hebt. Mijn hart huilt bij zoveel miscommunicatie. Hoop zo dat het wat teweegbrengt. Wat ik nog vreselijk graag wil zeggen is dat niet alle bipolairen gevaarlijk zijn, de meesten zijn volstrekt ongevaarlijk. Liefs, Emma.’

Het is de laatste zin waardoor ik me schaam. Want ook ik legde de connectie.

Ik bel haar. “Mam, die Rémon, dat ben jij niet.” Nee, dat weet ze. “Ik ken niemand die zo agressieloos is als jij,” ga ik verder. “Ja,” zegt ze. “Mam. Dit ben jij niet.” Ze onderbreekt me. “Kreeg jij ook zo’n déjà vu?” Ik knik, onzichtbaar voor haar. De kastjes, de muren, de ­gebrekkige diagnoses, de GGZ-stroop, we hebben er net zo goed in vastgekleefd gezeten. “Ik ben het niet, maar ik héb het ook. En ik ben zo bang dat mensen straks iedereen eng vinden die het heeft.”

Dat zou niet raar zijn. De schutter van Orlando werd door zijn vrouw bipolair genoemd. De vrouw uit Bennekom die zichzelf in brand stak, had een bipolaire stoornis met psychosen. De moordenaar van Els Borst: kneiter­psychotisch. Overal lezen we over het Grote Gestoorde Gevaar.
“Maar we zijn niet allemaal gewetenloos, dat moeten de mensen weten.” Het is even stil.

“Ik moest erom huilen,” vervolgt ze zachtjes. “Om dat jongetje?” “Ja. En om die moeder. En om die zoon.”

Ik glimlach. Hoeveel geweten kun je hebben? Mijn adem aait de telefoon. “Denk je dat het stom was, dat ik dat briefje publiceerde? Ik vind het best eng. Straks denken mensen dat ik gek ben.”

“Ben je mal!” roep ik. Voor het eerst lacht ze. “Ja, een beetje wel. Maar volstrekt ongevaarlijk.” We hangen op. Op Twitter lees ik de terechte reacties op RTL Late Night. ‘Wat een moedige moeder,’ staat er. En dat is Monique. Net als die van mij.


Roos2

Roos (1975) is columnist (Parool, Kek Mama, Libelle, Intermediair) en schrijfster van scenario’s en boeken.

Meer weten? Ga naar haar website: www.roosschlikker.nl

Een bijzonder stel

Tekst en foto’s: Illiana

Heel snel werden wij al zo bestempeld door vrienden en familie. Wij hebben dit altijd aangenomen en beantwoord dat het voor ons goed voelde. Inmiddels zijn wij ruim 15 jaar samen en een stuk wijzer. Waarom is onze relatie zo uniek? Nou, mijn man heeft een bipolaire stoornis. Dit hebben wij de eerste 14 jaar van onze relatie niet geweten.

2013-09-10 13.19.56

Wel wisten wij dat hij een keer depressief is geweest, maar dat is logisch als je hoort dat je onvruchtbaar bent. En ja, hij was drukker dan de gemiddelde mens, maar ook dat is te verklaren als je denkt ADHD te hebben. In 2009 is hij daarop onderzocht en inderdaad gediagnosticeerd met ADHD. Achteraf had de behandelend arts beter moeten weten. Mijn man reageerde namelijk nauwelijks tot niet op de Ritalin. En wij hebben beide meerdere malen tijdens het onderzoek benoemd dat hij druk was in bepaalde periodes (manies) maar niet altijd.

Als wij terug kijken op onze relatie zien wij inderdaad toenemende manies met af en toe een kleine depressieve periode en een grote depressie. Wat ons de ogen heeft doen openen, zijn anderen geweest. Zowel een goede vriendin als mijn broer hebben mij beide op dezelfde dag onafhankelijk van elkaar gezegd dat ze dachten dat mijn man bipolair is. Toen is het balletje gaan rollen. Nu zit hij aan zowel Lithium als aan een antidepressivum en durven wij te zeggen dat het goed gaat met hem.

En ik dan? Ik heb sinds de dag dat de mensen mij erop aanspraken dat ze dachten dat hij bipolair was moeten vechten. Voor hem, voor mijzelf en voor onze relatie. Want met de diagnose alleen ben je er nog lang niet. Wij hebben een lange, moeizame weg moeten afleggen met als dieptepunt een opname op de PAAZ. En bij alles wat daarbij komt kijken, ben je dan niet meer als ‘de partner van’. Gelukkig kreeg ik wel enig gehoor bij zijn eigen psychiater. Maar ook daar ben je ‘de partner van’, en kan zo’n behandelaar weinig voor je betekenen. Wat voor mij als gevolg heeft gehad dat ik in een burn-out ben beland. Mijn inziens had dat misschien een stuk minder heftig geweest, wanneer je als partner ook gezien en gehoord word bij dit soort diagnoses maar dat gebeurt momenteel niet. Toch zie ik daar nog een gemiste kans.

Binnen de zorg wordt het steeds gebruikelijker dat je als partner meteen mantelzorger bent, maar dat vraagt ook wel wat aandacht voor die persoon. Want niet alleen de toekomst van degene met de diagnose maar ook die van het netwerk eromheen verandert.

12011411_969815736413432_9011802946580167733_n (2)

De vrienden die ons aan het begin van onze relatie bijzonder hebben genoemd, zijn nog steeds bevriend met ons en hebben dus alle diepe dalen en unieke manies mee mogen maken. En… ze noemen ons nog steeds een bijzonder maar zeer sterk stel!

Al met al zou ik het niet gemist willen hebben en kan ik zeggen dat onze relatie nooit saai is en dat zien wij als voordeel van deze diagnose. Mijn man is een bijzonder mens mét een diagnose die behandelbaar is en het maakt hem tot wie hij nu is.


20151129_152300

Ik ben Illiana (36 jaar) en woon in Harderwijk samen met mijn man en twee konijnen. Mijn man heeft een bipolaire stoornis en samen zijn wij aan het leren hoe wij dat het beste een plekje kunnen geven in ons leven. 

Dit blog heb ik geschreven met het idee om andere partners het gevoel te geven niet alleen te zijn en vooral ook om te laten zien dat ondanks alle negatieve aandacht er prima samen te leven valt met iemand met een bipolaire stoornis. Ja, het is af en toe een extra uitdaging maar aan de andere kant ook een unieke kans om in een achtbaan te stappen die over een rails rijdt waarvan je van tevoren niet weet welke kant het op gaat.

Het zwarte, de zwaarte, neemt alles over

Tekst: Roos Schlikker
Deze column verscheen op 18 april 2015 in Het Parool

‘Kijk die klomp. Daar zit dus alle narigheid in.’ In haar lange, crèmekleurige jas en op haar glanzend gepoetste laarsjes buigt mijn moeder zich over een stel hersenen op sterk water. ‘Soms denk ik: ‘Gadverdamme, ruk het er alsjeblieft uit, dan ben ik ervan af,’ mompelt ze, waarna ze verder schuifelt.

Even had ik getwijfeld of het een goed idee was, met deze manisch depressieveling een uitstapje maken naar museum het Dolhuys in Haarlem, een voormalig gesticht waar sinds de zestiende eeuw krankzinnigen werden verpleegd. Bij een moeder-dochteruitje denken mensen eerder aan een rondje Bijenkorf of de Libelle Zomerweek. Maar toen ik het haar voorlegde, riep ze meteen enthousiast: ‘Uitstékend tripje met je idiote moeder!’

Soms schrik ik er zelf van, hoe graag we gekkengrapjes maken. Zo leuk is het niet, die eeuwige op- en neergang van haar stemming. Ze kan oprecht gelukkig zijn, soms wekenlang. Maar daarna komt altijd de fase waarin haar kop blijft razen. Hoe vaak ze ook door het park holt, hoe hard ze op yoga haar balans ook zoekt, hoeveel slaap­medicatie ze ook krijgt, het zwarte, de zwaarte, neemt alles over. ‘Ik kán niet meer,’ huilt ze dan. En ik probeer de moed er toch weer in te krijgen.

Vandaag gaat ons beider stemming op en neer. We lachen om de sterkwaterhersenen, we horen verhalen van kunstenaars met een tik van de molen (Achterberg, Van Gogh), mijn moeder vertelt over andere getroffen ­familie­leden (‘De moeder van mijn moeder speelde zestien uur per dag piano om haar geest maar rustig te krijgen’). We laten ons opsluiten in een cel waar vroeger gekken in werden weggeborgen. Na tien seconden drukt het donker alle lucht uit onze longen, we moeten er uit. Zou het in haar hoofd soms net zo zijn, zo benauwd dat ze moet ontsnappen?

In het museumcafé bestellen we soep. ‘Ik las net dat 150.000 Nederlanders hetzelfde hebben als jij. Dat lijkt me een troostrijk idee. Je bent niet zo alleen als je dacht,’ zeg ik voorzichtig. Even is het stil. Dan antwoordt ze zacht: ‘Ik geloof dat ik dat juist heel moeilijk vind… Met velen loopt het niet goed af.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik krijg het opnieuw benauwd.
Dan tikt iemand me op de schouder. ‘Jij bent toch Roos? Wij hebben elkaar bij een radio-uitzending ontmoet.’ Ik staar hem blanco aan, deze keurige man komt me onbekend voor. ‘Ik ben Ruud, het alter ego van Dolly Bellefleur.’

Dolly, de bekendste travestiet van Nederland! ‘Ik wist niet zeker of je het was, vorige keer droeg je meer make-up,’ zegt hij. Ik grijns. ‘Dat kan ik van jou ook zeggen.’

Later in de trein lacht mijn moeder plotseling hardop. ‘Grappig, zeg. Als je die doodgewone Ruud ziet, heb je geen idee wie hij nog meer is. Soms denk ik: dat geldt voor mij ook.’

Ik knik. ‘Ja, mamsie. Normaal kent vele prachtige formaten.’

‘Mallotig dagje, hè,’ zegt ze.

‘Mallotig dagje,’ zeg ik. En ik kus haar op haar slaap.


Roos

Roos (1975) is columnist (Parool, Kek Mama, Libelle, Intermediair) en schrijfster van scenario’s en boeken.

Meer weten? Ga naar haar website: www.roosschlikker.nl

Leven met een kind die een bipolaire stoornis heeft

Tekst en foto’s: Wil Hoffman

Het was voor mij al snel duidelijk dat het leven anders zou worden toen mijn zoon zijn 1e psychose kreeg. Dit gebeurde 21 jaar geleden. Hij was toen 19 jaar. Arjen was daarvoor al een hele tijd depressief. Het is een enorme schok wanneer dit met je kind gebeurt. Ik wist niets van psychoses, maar zag wel dat er iets niet goed was. Toen duidelijk werd wat er met hem aan de hand was en dat hij erg ziek was, lijkt het of je leven instort. Hij is mijn enige kind. Een lieve, leuke jongen met een goed stel hersens. Hij had wel een moeilijke pubertijd achter de rug vanwege de scheiding van zijn ouders toen hij 13 jaar was.

Ik tastte die eerste tijd volkomen in het duister waarom dit met hem gebeurde. Je voelt je enorm schuldig. Dat schuldgevoel is heel lang gebleven. Het heeft jaren geduurd voor ik dat verwerkt had. Want ondanks alle informatie die ik tot mij kreeg, betrek je als ouder alles meteen op jezelf.

Anderhalf jaar is mijn zoon opgenomen geweest en de diagnose was toen manisch depressief, ofwel een bipolaire stoornis. Hij kreeg natuurlijk medicatie met allerlei nare bijwerkingen. Daarna probeerde hij zijn leven weer op te pakken, zijn school afmaken en een studie beginnen. Maar het eerste jaar van zijn studie mislukte. Het was teveel stress en zijn concentratievermogen was kort. Nu achteraf begrijp ik het allemaal beter en zou hem veel beter hebben kunnen begeleiden. Toen wist ik nog zo weinig over de invloed die een psychose en medicatie op iemands hersenen heeft. Als ouders werd je in die tijd ook niet begeleid, of heel summier. Je moest zelf overal achteraan.

019

Nu besef ik pas hoe weinig ik in die tijd wist van psychische aandoeningen. Dat is heel langzaam, stukje voor stukje tot me gekomen. Vooral door zelf te zoeken en door er veel met Arjen erover te praten. Wat houdt die ziekte nu precies in? Ook voor hem was het een zoektocht, die hij ook lang heeft willen ontvluchten door gebruik van drugs bijvoorbeeld. Natuurlijk moest hij daar weer vanaf zien te komen omdat het zijn genezingsproces enorm schaadde. Gelukkig is dat hem gelukt, maar het heeft jaren geduurd voordat hij kon accepteren dat hij een bipolaire stoornis heeft. En nog steeds is het moeilijk voor hem.

We zijn nu 21 jaar verder . Jaren van ups en vele downs. Voor hem maar ook voor mij want ook mijn leven is er behoorlijk door beïnvloed. Hoe kun je nu gelukkig zijn wanneer je kind zo ongelukkig is en worstelt met het leven? Het is nog steeds elke dag weer een strijd. Al is hij nu door betere medicatie en begeleiding veel stabieler dan jarenlang daarvoor. Het heeft ook mij tijd gekost om er naar de buitenwereld open over te zijn. Je bent bang voor het onbegrip. Ook nu nog merk ik dat ik terughoudend ben. Uit ervaring weet ik dat ik de omgeving veel moet uitleggen ook al is er nu veel meer informatie over in de media. Ik moet er altijd weer bij zeggen dat hij verder een normaal mens is met heel veel talenten want sommige mensen denken dat hij echt gestoord is.

Mijn zoon heeft nu drie prachtige kinderen. Hij is een liefdevolle vader en ze zijn gek op hem. Toch vind hij het moeilijk om er met zijn kinderen over te praten maar hij doet het wel. De angst voor stigma heeft hij nog steeds en ik ook.  Nu ben ik gepensioneerd, maar ik vertelde nauwelijks iets over hem aan mijn collega’s. Wanneer ik nu iemand leer kennen en er naar mijn zoon gevraagd wordt, moet ik nog steeds iets overwinnen. Je moet altijd zoveel uitleggen, waarom hij bijvoorbeeld niet werkt. Maar ook dat kan misschien in de toekomst veranderen, want hij is al een half jaar werkzaam als vrijwilliger bij een GGZ instelling. We blijven vertrouwen houden in de toekomst. Hij heeft zoveel meer levenservaring door deze aandoening, zoveel meer wijsheid!

En het is zeker zo: hij is niet bipolair , maar hij heeft een bipolaire aandoening. Hij weet gelukkig heel goed dat hij veel meer is dan dat. En zo zie ik hem en heb ik hem ook altijd gezien.


 

141
Ik ben Wil Hoffman, 67 jaar jong en ben werkzaam geweest als leerkracht op een basisschool. Nu gepensioneerd heb ik meer tijd voor mijn kleinkinderen waar ik erg van geniet. Op internet volg ik allerlei sites en ben geïnteresseerd in filosofie en psychologie.

Mijn moeder schoof haar ziekte onder het tapijt

Tekst: Diana de Raaf

Ik groeide op in een disfunctioneel gezin. Officieel waren wij met zijn tweeën: mijn moeder en ik. De hoeveelheid aanwezigen in ons huis was echter zeer variërend. In Vledder (Drenthe) waar ik opgroeide, was het vrij normaal om kostgangers te hebben. Dit varieerde van één tot zes kostgangers die ik bijna allemaal als broer of zus beschouwde. Mijn vader was voor mijn geboorte overleden en mijn moeder had een bipolaire stoornis. In die tijd manisch depressief genoemd. Ik vond het fijn dat er regelmatig kostgangers in huis waren maar in het weekend waren mijn moeder en ik samen en ving ik dus de meeste emotionele klappen op. Op haar goede dagen was ze lief, aandachtig en zorgzaam. Op haar slechte dagen was ze afwezig, chaotisch en impulsief. Ze is wel eens agressief geweest tijdens een psychose naar de huisarts en naar een kostganger maar nooit naar mij.

Wanneer mijn moeder precies de diagnose kreeg weet ik niet. Ik wist als kind wel dat er iets mis was met mijn moeder, maar wat het precies was dat wist ik niet. Op mijn 15e ben ik uit huis geplaatst. Een tiener en een bipolaire moeder, die haar ziekte wilde verbergen, gaan niet samen.

Zoals veel KOPP-kinderen* gaf ik mijzelf hiervan de schuld.”

Op een dag belde een kostganger mij. Ik was toen ongeveer 18 jaar, woonde en werkte in Den Haag, zo ver mogelijk van mijn moeder vandaan. Hij vertelde mij allemaal zaken die ik herkende als een psychose. Bijvoorbeeld dat mijn moeder in haar broek had geplast en dat ze dingen zag die er niet echt waren. Ik heb hem gevraagd meteen de huisarts te bellen en te melden dat ze in een psychose zat. De huisarts heeft toen Haldol voorgeschreven. Ik heb die nacht mijn nachtdienst afgemaakt en ben meteen naar Drenthe gereisd. Daar aangekomen heb ik de medicijnen, met medeweten van haar, in de koffie gedaan en gevraagd of ze het wilde opdrinken. Gelukkig dronk ze het op maar ze bleef nog lang in psychose. Ik heb de hele nacht geprobeerd haar aan het slapen te krijgen maar ze moest nog van alles doen zoals de planten water geven. Ze rookte shag en ik draaide voor haar een shagje omdat het haar zelf niet meer lukte. Ze stak hem op en drukte hem meteen weer uit.

Als kind heb ik nooit geweten dat mijn moeder een bipolaire stoornis had. Hier kwam verandering in toen ik 22 jaar was en naar een programma van ‘Rondom tien’ keek die over partners van manisch depressieve mensen ging. Voor mijn gevoel was alles vergelijkbaar met mijn moeder. Ik heb haar dat verteld, maar dat maakte haar woest. Ze was zo woest dat we elkaar negen jaar niet meer hebben gezien. Mijn moeder overleed toen ze net 59 was geworden. Alles aan haar was op. Door de vele manische episode en psychoses is ze, denk ik, net zoveel uren wakker geweest als iemand die gemiddeld iedere nacht 8 uur slaapt en 80 geworden is. Bij elkaar genomen heeft mijn moeder dus maar weinig slapende uren doorgebracht en op haar 59ste was alles op. Nieren, hart, vochthuishouding en ga zo maar door. Mijn moeder had geen fijn leven maar ze is gestorven in haar slaap. Wij hadden toen net weer anderhalf jaar contact. Vlak voor haar overlijden kwam ik erachter dat ze lid was van de patiëntenvereniging voor manisch depressieven.

mother-589730_640

De laatste twee momenten dat we eigenlijk voor het eerst echt intiem contact hadden, waren mooi. De één na laatste keer vertelde zij mij dat ik vast door haar ziekte een hele moeilijke jeugd gehad moet hebben. Ik kon haar zeggen, dat het mij heeft gevormd tot wie ik toen was.

Mijn moeder verborg haar ziekte zo goed mogelijk voor de buitenwereld. Zelfs tot vlak voor haar overlijden. Iets waar ik als kind erg onder heb geleden. Mijn moeder heeft mij dus nooit verteld over haar aandoening. Ik heb haar het laatste jaar gezegd dat ik gebeld had met de vereniging. Ze zei: “Had het me maar gevraagd. Dan had ik je het nummer zo gegeven.” Daarmee heeft ze mij versteld doen staan. Ik heb altijd gedacht dat ze het zou blijven ontkennen.

In haar manische, psychotische en depressieve periodes was mijn moeder niet goed in staat om voor zichzelf of voor anderen te zorgen en als kind leerde ik al snel dat het huishouden beter draaide als ik de touwtjes in handen nam. Ik werd overdreven behulpzaam maar vaak niet uit het hart. De conclusie die ik als kind trok, was dat je in de omgang met anderen altijd behulpzaam en respectvol moest zijn tegen iedereen, ongeacht hoe zij met mij omgingen. Dat was de enige manier waarop je verbinding kon krijgen, dacht ik. Die conclusie nam ik mee in de relaties die ik als volwassene met andere aanging met alle gevolgen van dien. Hoewel ik respectvol, verantwoordelijk, lief en aardig was voor mijn partner, eindigde elke relatie steeds in een drama.

Wat ging er nou telkens mis? Ik begon te begrijpen waarom ik iedere keer weer terugviel op dezelfde reacties als iets als bedreigend op me overkwam. Ik wilde zo verschrikkelijk graag een fijne relatie dat ik er maar mijn specialiteit van heb gemaakt. Inmiddels ben ik gediplomeerd crisis- en relatiecounsellor en heb ik vanuit mijn levenservaring een boek geschreven over relaties. Dit boek is mijn debuut en heet ‘Tuinieren in je hoofd – op weg naar een gezond zelfvertrouwen’.

*) Kinderen van Ouders met Psychische Problemen en verslavingen.


Mijn naam is Diana de Raaf (1965) en ik ben geboren in Schiedam. Mijn vader is voor mijn geboorte overleden en mijn moeder had een bipolaire stoornis. Ze kwam daar zelf niet voor uit en daar heb ik als kind nog het meest onder geleden. Inmiddels ben ik gediplomeerd crisis- en relatiecounsellor en is mijn grootste wens uitgekomen. Ik heb al ruim negen jaar een fijne relatie. Omdat ik erg jong in de overgang ben beland, kon ik helaas zelf geen kinderen meer krijgen.

Mijn hobby is vooral muziek maken: zingen en keyboard spelen. Daarbij hebben mijn partner en ik nog een gezamenlijke hobby en dat is naar Scheveningen gaan. Daar kunnen we heerlijk samen van genieten.

Meer lezen: www.tuiniereninjehoofd.nl